Koninklijk besluit betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders.

Wetgeving (January 1969)                              


Artikel 1. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Toepassingsgebied.

    1.1. (Onverminderd de voorschriften van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en van de bijzondere voorwaarden die bij de vergunningsbesluiten waarvan sprake in titel 1 van dit reglement kunnen opgelegd worden, is dit besluit van               toepassing op de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, die als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk gerangschikt zijn.)
    1.2. (Behoudens wat bepaald is in artikel 22, is dit besluit niet van toepassing op de opslagplaatsen;
                 
1. die op de datum van de inwerkingtreding ervan in bedrijf waren gesteld krachtens vergunningen verleend overeenkomstig titel 1 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming.
                 
2. die op dezelfde datum in bedrijf waren gesteld en die, vóór 15 oktober 1968, niet als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeeld waren.)
     
1.3. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan 
                 
1° onder "inhoudsvermogen van de houders", hun waterinhoudsvermogen, 
                  
2° onder "erkend organisme", het onder artikel 8.1. bedoeld organisme.

Art. 2. (.....)

Art. 3. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Installatie van de houders.

  3.1. Algemene voorwaarden.
          3.1.1. De houders moeten boven de grond aangelegd worden (bovengrondse houders) of ingegraven worden (ingegraven houders).
          
3.1.2. Het is verboden ze binnen of op het dak van een gebouw of in gemetselde kuilen aan te leggen.
          
3.1.3. Het is verboden boven elkaar liggende houders of houders met verschillende onder elkaar niet rechtstreeks verbonden afdelingen aan te leggen. Worden niet als rechtstreeks verbonden beschouwd, de afdelingen waarvan                        de verbinding door afsluiters, kranen of kleppen kan afgesloten worden.

  3.2. Bovengrondse houders.
          3.2.1. De minimumafstand in horizontale projectie gemeten, die de houder moet scheiden van elke opening van een woonlokaal, van elke opening van een werklokaal dat niet onderworpen is aan het open vuurverbod, van elke                           openbare weg en van elk naburig eigendom, wordt hierna opgegeven:

                   Totaal inhoudsvermogen van de minimum          houders afstand
                  
minder dan 5 m3 ..............................................5,00 m
                  
van 5 m3 tot minder dan 10 m3 .......................7,50 m
                  
van 10 m3 tot minder dan 25 m3......................10,00 m
                  
van 25 m3 tot minder dan 50 m3......................15,00 m
                  van 
50 m3 tot minder dan 250 m3....................25,00 m
                  
250 m3 en meer.............................................. 35,00 m

                   (Indien het totaal inhoudsvermogen van de houders evenwel kleiner is dan of gelijk is aan 3 m3, moet de minimumafstand, in horizontale projectie gemeten, die de houders moet scheiden van elke openbare weg en van elk naburig eigendom, slechts 3 m bedragen.)

        3.2.2. De minimumafstand in horizontale projectie gemeten, die de kleppen, pompen, en vulopeningen moeten scheiden van elke opening van een woonlokaal, van elke opening van een werklokaal dat niet onderworpen is aan het open   vuurverbod, van elke openbare weg en van elk naburig eigendom is vastgesteld op 5 m.
(Indien het totaal inhoudsvermogen van de houders evenwel kleiner is dan of gelijk aan 3 m3, moet de minimumafstand, in horizontale projectie gemeten, die de kleppen en vulopeningen moeten scheiden van elke openbare weg en van elk naburig eigendom, slechts 3 m bedragen.)

       3.2.3. Deze afstanden mogen verminderd worden wanneer er tussen de openingen of de hogervermelde plaatsen en de houders, kleppen, pompen en vulopeningen, een dicht en onbrandbaar scherm is aangebracht van tenminste 2,5 m hoogte, op tenminste 1 m afstand van deze houders, kleppen, pompen en vulopeningen, en wanneer de afstand horizontaal omheen het scherm gemeten, ten minste gelijk is aan de (in de artikelen 3.2.1. en 3.2.2.) aangehaalde minimumafstand.

(Indien het totaal inhoudsvermogen van de houders kleiner is dan of gelijk aan 3 m3, mag de minimumhoogte van het scherm minder dan 2,50 m bedragen.
In dit geval moet het scherm evenwel ten minste 0,50 m hoger zijn dan het bovenste gedeelte van de houders en moet het ten minste 1,50 m hoog zijn.) 

Nochtans, wanneer het een lokaal betreft, dat niet onderworpen is aan het open vuurverbod, dat openingen bevat die zich op minder dan 5 m afstand van de houders, kleppen, pompen, en vulopeningen bevinden, moet het scherm zo hoog zijn dat de bovenkant hoger is dan het hoogste punt van deze openingen.

Anderzijds, in de omtrek bepaald bij artikel 3.2.1. en op de plaatsen waar de afstand tussen het scherm en elk voetstuk of opening van een buisleiding die in verbinding staat met de vloeibare fase, minder bedraagt dan 5 m, moet de bovenkant van het scherm ten minste 1 m hoger zijn dan deze voetstukken of deze openingen van buisleidingen.

Indien het scherm een omheining vormt moet het een deur bevatten. Deze laatste moet vol en onbrandbaar zijn, naar buiten opendraaien en voorzien zijn van een automatisch sluittoestel.

      3.2.4. (Een vrije doorgang van ten minste 1 m breedte moet omheen elke houder bestaan.)

      3.2.5. De houders worden beschermd tegen de actie van de straling van de zon of van om 't even welke warmtebron.
Een terugkaatsende verf of een terugkaatsend oppervlak worden als voldoende beschouwd om de houders tegen de werking van de zonnestralen te beschermen.

3.3. Ingegraven houders.

       3.3.1. De minimumafstand in horizontale projectie gemeten, die de houders moet scheiden van elke opening van een woonlokaal, van elke opening van een werklokaal dat niet onderworpen is aan het open vuurverbod, van elke openbare weg en van elk naburig eigendom, is 2,5 m.

       3.3.2. (Deze afstand bedraagt 5 m voor de kleppen, de pompen en de vulopeningen.
Indien het totaal inhoudsvermogen van de houders evenwel kleiner is dan of gelijk is aan 3 m3, moet de minimumafstand, in horizontale projectie gemeten, die de kleppen en vulopeningen moeten scheiden van elke openbare weg en van elk naburig eigendom, slechts 3 m bedragen.

Deze afstanden mogen verminderd worden indien er tussen de voornoemde plaatsen en de kleppen, pompen en vulopeningen een dicht en onbrandbaar scherm aangebracht is van ten minste 2,50 m hoogte op ten minste 1 m afstand van die kleppen, pompen en vulopeningen en indien de afstand, horizontaal om het scherm gemeten, ten minste 5 m of 3 m bedraagt volgens het geval.

Indien het totaal inhoudsvermogen van de houders kleiner is dan of gelijk is aan 3 m3, mag de minimumhoogte van het scherm minder dan 2,50 m bedragen.
In dit geval moet het scherm evenwel ten minste 0,50 m hoger zijn dan de klepzittingen en de vulopening en moet het ten minste 1,50 m hoog zijn.)

Nochtans, wanneer het een lokaal betreft, dat niet onderworpen is aan het open vuurverbod, dat openingen bevat die zich op minder dan 5 m afstand van de pompen, kleppen of vulopeningen bevinden, moet het scherm zo hoog zijn dat de bovenkant hoger is dan het hoogste punt van deze openingen.

Indien het scherm een omheining vormt moet het een deur bevatten. Deze laatste moet vol en onbrandbaar zijn, naar buiten opendraaien en voorzien zijn van een automatisch sluittoestel.

       3.3.3. De houders moeten van een mangat voorzien zijn.

       3.3.4. Het mangat en de onderdelen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en de schikkingen moeten worden genomen om elke beschadiging ervan te voorkomen.

      3.3.5. De houders zijn beschermd door middel van een bekleding gevormd door minstens twee lagen jute, doordrenkt met asfalt en door een laag warm aangebracht asfalt, of met een bekleding die op gebied van bescherming tegen invreting gelijkwaardige hoedanigheden bezit. De houders zijn bovendien uitgerust met een cathodebeveiligingsinrichting tegen de invreting, tenzij om reden van de plaatselijke omstandigheden dergelijke inrichting niet gewettigd is.

     3.3.6. De houders worden door middel van metalen banden stevig vastgemaakt aan een stevige bedeling waarvan het gewicht voldoende is om het oplichten van de houders te voorkomen wanneer deze leeg zijn. Dit voorschrift is niet verplicht wanneer de stand van het grondwater in alle seizoenen laag genoeg is om alle gevaar van oplichting van de houders te vermijden.3.3.7. De houders zijn bedekt met een laag aarde van ten minste 50 cm dikte. Geen enkele ledige ruimte mag rond de houders bestaan.

     3.3.8. Schikkingen worden genomen om de doorgang van voertuigen of het opslaan van lasten boven de houders te beletten, tenzij deze beschermd zijn door een dikke onbrandbare vloer van voldoende weerstand.

Art. 4. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29)


Art. 5. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Warmtebehandeling.

Art. 6. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Radiografisch onderzoek van de lasnaden.

Art. 7. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Uitvoeringsplannen.

Art. 8. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Controle op de bouw.

Art. 9. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Controle door de bouwer uitgeoefend.

Art. 10. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Waterdrukproef.

Art. 11. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Identificatieplaat.

Art. 12. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Attest van goedkeuring.

Art. 13. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Veiligheidsinrichtingen.

Art. 14. (Zie NOTA 1 onder TITEL)  Periodiek onderzoek van de opslagplaatsen en van de houders.

Onverminderd de voorschriften van artikel 53 van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, zijn de volgende voorwaarden van toepassing bij het periodiek onderzoek van de opslagplaatsen en van de houders.

           14.1. De opslagplaatsen worden ten minste om de vijf jaar onderzocht door een erkend organisme.
                   De periodieke onderzoekingen hebben plaats vóór het verstrijken van de termijn, daartoe vastgesteld door dat organisme bij het vorig onderzoek.
                   
Een onderzoek heeft eveneens plaats na elke belangrijke herstelling van de houders of op aanvraag van de toezichthoudende ambtenaar.

                   Op aanvraag van het organisme wordt het onderzoek aangevuld met een waterdrukproef.
                   Het onderzoek omvat:

                       1° het nazicht van de naleving van de voorschriften van dit besluit, van de voorschriften van de titels II en III van het algemeen reglement voor de  arbeidsbescherming en van de voorwaarden opgelegd bij de vergunningsbesluiten genomen krachtens de bepalingen van titel I van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming;

                       2° het nazien van de veiligheidstoestellen. Wat de veiligheidskleppen betreft, worden deze ten minste om de tien jaar afgenomen en opnieuw geregeld;

                       3° het nagaan van de uitwendige invreting van de platen van de houders. Wat de ingegraven houders betreft wordt dit onderzoek verricht met behulp van ultrageluiden of van elk ander procédé dat het erkend organisme als toereikend beschouwt.

Ter gelegenheid van elk onderzoek stelt het organisme een verslag op waarin melding wordt gemaakt van de staat van bewaring van de platen van de houder, alsook van zijn vaststellingen betreffende de naleving van de reglementaire voorschriften en van de opgelegde voorwaarden.

Bovendien bepaalt het, in dat verslag, de termijn gedurende welke, naar zijn mening, de houder nog veilig kan gebruikt worden voordat hij aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden.

14.2. De exploitant houdt de attesten van goedkeuring en de verslagen van onderzoek ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde technische ambtenaar.

Art. 15. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Vullen van de houders.

          15.1. Nauwkeurige en schriftelijke onderrichtingen worden aan de aangestelde gegeven voor de verschillende te verrichten handelingen. Een aangestelde moet voortdurend in de nabijheid blijven van de tankwagens die dienen voor het vullen van de houders en aandachtig toezicht houden op de behandelingen die aan de gang zijn.

           15.2. Bij het vullen van de houders mag het percentage van vulling van de hierna opgegeven tabel in functie van de dichtheid van de vloeistof op 15° C niet overschreden worden, het percentage van vulling zijnde het quotiënt van het gewicht van de ingehouden vloeistof en het gewicht water dat de houder zou kunnen bevatten:

Maximum percentage van

vulling van de houders

Bovengrondse

(a) (1) (2) (b)

0,497-0,504 41 % 44 % 45 %

0,505-0,511 42 % 45 % 46 %

0,512-0,520 43 % 46 % 47 %

0,521-0,528 44 % 47 % 48 %

0,529-0,537 45 % 48 % 49 %

0,538-0,545 46 % 49 % 50 %

0,546-0,553 47 % 50 % 51 %

0,554-0,561 48 % 51 % 52 %

0,562-0,568 49 % 52 % 53 %

0,569-0,576 50 % 53 % 54 %

0,577-0,585 51 % 54 % 55 %

0,586-0,592 52 % 55 % 56 %

0,593-0,601 53 % 56 % 57 %

0,602-0,609 54 % 57 % 58 %

0,610-0,618 55 % 58 % 59 %

0,619-0,627 56 % 59 % 60 %

Maximum percentage van

vulling van de houders

Bovengrondse

(a) (1) (2) (b)

0,628-0,635 57 % 60 % 61 %

(a) Dichtheid van het mengsel op 12° C

(b) Ingegraven alle inhoudsvermogens

(1) van 0 tot 4,5 m**3

(2) groter dan 4,5 m**3

           15.3. Het is verboden een houder, zelfs gedeeltelijk, te vullen met een vloeistof waarvan de dampspanning, bij 40° C voor de houders met een inhoudsvermogen van minder dan 5 000 l, en bij 35° C voor de houders met een inhoudsvermogen van minstens 5 000 l, hoger is dan de maximum dienstdruk waarvoor de houder werd afgenomen.

           15.4. De slangen die hiervoor aangewend worden mogen slechts in open lucht gebruikt worden.

           15.5. (Het is verboden een vaste houder te vullen die zichtbare gebreken vertoont die de veiligheid kunnen schaden.)

          15.6. (Met ingang van 27 januari 1970 is het verboden een vaste houder te vullen die niet gedekt is door een verslag opgesteld door een erkend organisme, verslag waaruit blijkt dat de opslagplaats voldoet aan de reglementaire voorschriften en aan de opgelegde voorwaarden.)

Art. 16. (Zie NOTA 1 onder TITEL) De elektrische installatie.

Onafhankelijk van de bepalingen van titel III, hoofdstuk I, afdeling I, van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

            16.1. Binnen de omheining van de opslagplaatsen, begrensd door de afstanden, bepaald in artikel 3, en in de pomp-inrichtingen, wordt het aantal elektrische apparaten beperkt tot het hoogst nodig minimum.

           16.2. Enkel laagspanningsstroom is er toegelaten.
                    Evenwel zijn ook de ontladingslampen van de categorieën A en B toegelaten.

Voor de voeding van de motoren met een minimum vermogen van 100 pk mag de voedingsspanning tussen fazen 3 000 Volt bedragen, onder volgende voorwaarden:

                     a) de ganse installatie is gepantserd;
                    b) de dispersieweerstand van de aarding bedraagt maximum 1 Ohm.

          16.3. Een buiten de hoger bedoelde ruimten geplaatste schakelaar, die alle polen uitschakelt, moet het mogelijk maken de installatie volledig af te zonderen.

          16.4. Gans de elektrische installatie of elk onderdeel van de installatie mag slechts dienen voor het bedienen of beschermen van de elektrische toestellen gebruikt in bedoelde installaties.

           16.5. De wijze van beveiliging van de elektrische toestellen moet zijn:
                     hetzij de intrinsieke veiligheid, bepaald in de norm NBN 683;
                     hetzij de ontploffingsvaste omhulsels bepaald in de norm NBN 286;
                     hetzij de omhulsels met inwendige overdruk, bepaald in de norm NBN 716;
                     hetzij de zandvulling.

De elektrische toestellen mogen slechts gebruikt worden binnen de perken van de toepassingen waarvoor ze werden vervaardigd.

De enige toegelaten montages voor de elektrische leidingen zijn de volgende:
- de montage onder TIAF buizen, bepaald in de norm NBN 45;
- de kabels met minerale isolatie, bepaald in de norm NBN 693;
- de kabels waarvan de isolering beschermd is door een waterdichte geaarde bewapening;
- de gepantserde soepele geaarde kabels.

Iedere andere montage of toestel dan deze opgelegd bij dit artikel zijn toegelaten indien zij dezelfde waarborgen van hermeticiteit en mechanische weerstand bieden.

           16.6. De installatie en het onderhoud van de elektrische toestellen voorzien van een wijze van beveiliging, zoals hierboven bepaald, worden toevertrouwd aan bevoegd personeel, dat op de hoogte wordt gehouden van de bijzondere veiligheidsregels eigen aan dit materiaal.

Elke herstelling die een deel van het materiaal betreft, dat essentieel is voor het behoud van de veiligheidsinrichting volgens een van de wijzen van beveiliging voorzien onder artikel 16.5., wordt uitgevoerd in een gespecialiseerd werkhuis, zo nodig bij of onder toezicht van de constructeur.

Art. 17. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (NOTA : Opgeheven voor drukapparatuur en samenstellen die in de handel gebracht worden en in gebruik worden genomen na 29-11-1999, door KB 1999-06-13/81, art. 34; Inwerkingtreding : 1999-11-29) Pijpleidingen.

Art. 18. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Herstelling van de houders.

            18.1. Vóór elke herstelling moet de houder geledigd worden. Hij moet van het overige van de installatie door blindflenzen afgesloten worden.

           18.2. Hij wordt degelijk gereinigd.

           18.3. Voordat om het even wie de houder binnengaat, moet de atmosfeer van de houder door een bevoegde persoon met de explosiemeter gecontroleerd worden om de afwezigheid van ontvlambare dampen na te gaan.

          18.4. Wanneer de uit te voeren werken het gebruik van een vlam of op gloeihitte verwarmde voorwerpen omvatten, of vonken kunnen veroorzaken, wordt verse stoom in de houder en de buisleidingen ingeblazen, tot de volledige ontruiming van alle sporen van ontvlambaar gas.

De stoom zal slechts ingeblazen worden wanneer men er zeker van is dat de houder geen ontvlambaar mengsel kan inhouden. In dat geval zal het inblazen van een inert gas elk spoor van ontvlambaar gas verwijderen. Wanneer het inblazen van stoom of inert gas beëindigd is zal de houder gedurende ten minste twee uur zorgvuldig verlucht worden.

        18.5. Wanneer de uit te voeren werken het gebruik niet behelzen van een vlam of op gloeihitte gebrachte voorwerpen, en geen vonken kunnen veroorzaken, mag het gebruik van verse stoom vervangen worden door een verluchting van voldoende duur ofwel wordt de houder gedurende vierentwintig uur met stromend water gespoeld.

        18.6. Indien in de houder gebruik gemaakt wordt van elektrische toestellen, dan zijn deze van één der typen voorzien in artikel 16.5., behalve wanneer de houder geheel ontgast werd. De voedingsspanning van de draagbare lampen is kleiner dan 50 V bij gelijkstroom en kleiner dan 25 V bij wisselstroom.

       18.7. Gedurende het reinigen en het herstellen moet een luchttocht onderhouden worden in de houder.

       18.8. Het aanbrengen van iedere wijziging aan de houder en het lassen van bijhorigheden op de houder moeten aan de voorafgaande toestemming van een erkend organisme onderworpen worden.

Art. 19. (Zie NOTA 1 onder TITEL) (Zie NOTA 1 onder TITEL) Afsluiting.

            De pompen en de houders worden omringd door een stevige en onbrandbare afsluiting. De toegang binnen deze afsluiting is verboden aan elke persoon die er door zijn dienst niet geroepen is. Het toegangsverbod wordt op zichtbare wijze op de afsluiting vermeld.

Wat de houders met een inhoudsvermogen kleiner of gelijk aan 3 000 liter betreft, mag deze afsluiting afgeschaft worden, op voorwaarde dat de bijhorigheden, die zouden kunnen lekken, van een beschermingskap voorzien zijn.

Art. 20. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Bescherming tegen brand.

             20.1. Binnen de zone van de opslagplaatsen, zoals zij begrensd is door de afstanden bepaald in artikel 3, is het verboden te roken, met brandende voorwerpen binnen te dringen, vuur te maken, verdampers met blote vlam te gebruiken, hout, houtkrullen en andere gemakkelijk brandbare stoffen, gedroogd gras en struikgewas inbegrepen, te laten liggen.

(Het rookverbod en het verbod vuur of open vlam te gebruiken wordt op de houders of in de nabijheid ervan, in overeenstemming met de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, aangeduid.)

In dezelfde zone is de aanwezigheid van rioleringsputten of van aansluitingen met de rioleringen verboden tenzij ze uitgerust zijn met een luchtafsnijder waarvan de werking in alle omstandigheden verzekerd is.)

           20.2. De houders, steunen en metalen toebehoren, worden met de aarde verbonden, zodanig dat de statische elektriciteit, die eventueel ontwikkeld wordt, afgeleid wordt.
Bij het overtappen moeten de tankwagens en de spoortankwagens onder dezelfde spanning staan als de buisleidingen van de vaste installatie.
Zij worden onbeweeglijk gemaakt door middel van remmen en aangepaste wiggen.

          20.3. Nauwkeurige schriftelijke onderrichtingen betreffende de te nemen maatregelen, in geval van gaslek of in geval van brand, worden aan een verantwoordelijke aangestelde of zijn plaatsvervanger gegeven.

          20.4. Blustoestellen van een aan de gewenste dienst aangepast model, blustoestellen die steeds in een goede staat van werking gehouden worden, of water- of schuimbrandpompen in aantal en met een debiet in verhouding tot de belangrijkheid van de opslagplaats, worden op gepaste en gemakkelijk te bereiken plaatsen opgesteld.

Wat de opslagplaatsen met een totaal inhoudsvermogen kleiner dan of gelijk aan 3 000 liter betreft, wordt dit voorschrift slechts opgelegd gedurende het vullen.

Art. 21. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Onderhoud.

            21.1. De houders worden in goede staat gehouden.

            21.2. Elk gebrek dat de veiligheid van de buren of het personeel in gevaar kan brengen wordt onmiddellijk verholpen.

            21.3. De beschermingsbekleding op de bovengrondse buisleidingen en houders wordt in goede staat gehouden.

Art. 21bis. (Zie NOTA 1 onder TITEL)  Inbedrijfstelling van de opslagplaatsen.

De opslagplaatsen bedoeld in artikel 1 mogen niet in bedrijf gesteld worden alvorens de exploitant in het bezit is van een verslag opgesteld door een erkend organisme, verslag waaruit blijkt dat de opslagplaats voldoet aan de voorschriften van dit besluit, aan de voorschriften van de titels II en III van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en aan de voorwaarden opgelegd bij de vergunningsbesluiten genomen krachtens de bepalingen van titel I van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming.

De exploitant houdt het attest van goedkeuring van de houder en het verslag van onderzoek ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde technische ambtenaar.

Art. 22. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Voorschriften die van toepassing zijn op de opslagruimten in bedrijf op de datum van het in werking treden van dit reglement.

              22.1. (De opslagplaatsen bedoeld in artikel 1.2. moeten beantwoorden aan de voorschriften van de artikelen (.....) 14.1, 15.1, 15.2, 15.3, 15.5, 17.3, 17.4, 17.6, 17.7, 18, 20, 21, alsook aan de volgende voorschriften.) 

De houder draagt de volgende identificatiemerken: nummer, maximum dienstdruk, proefdruk, letter E gevolgd door de datum van de proef en door de ijkstempel van het erkend organisme. Deze merken worden er ten laatste ter gelegenheid van het eerste onderzoek van het erkend organisme op aangebracht.

Voor de opslagplaatsen die op de datum van de inwerkingtreding van dit reglement in bedrijf zijn gesteld krachtens een vergunning en waarvan de houders het voorwerp hebben uitgemaakt van een attest van goedkeuring afgeleverd door een erkend organisme, heeft dit eerste onderzoek plaats ter gelegenheid van het nazicht van de houders opgelegd door de voorschriften van artikel 14 van dit reglement.

(Wat deze opslagplaatsen betreft moet dit eerste onderzoek ten laatste op 27 januari 1970 plaats hebben.)

(Dit eerste onderzoek omvat:

                        1° het nazicht van de naleving van de voorschriften van dit besluit, van de voorschriften van de titels II en III van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming en van de voorwaarden opgelegd bij de vergunningsbesluiten genomen krachtens de bepalingen van titel I van het algemeen reglement voor de arbeidsbescherming;

                         2° het nazien van de veiligheidstoestellen;

                         3° het onderzoek van de houder om zich ervan te verzekeren dat hij voldoende veiligheidswaarborgen biedt.)

(Met het oog op dat eerste onderzoek bezorgt de eigenaar van de houder aan het erkend organisme alle documenten die het mogelijk kunnen maken over de veiligheid van de houders te oordelen.)

(Bij gebrek aan bewijskrachtige documenten gaat het erkend organisme over tot een grondig onderzoek van de houder en tot elke andere controle die het nodig acht.)

(Ter gelegenheid van dat onderzoek stelt het organisme een verslag op met zijn vaststellingen betreffende de naleving van de reglementaire voorschriften en van de opgelegde voorwaarden.)

(Het bepaalt in dat verslag de termijn gedurende welke, naar zijn mening, de houder nog veilig kan gebruikt worden voordat hij aan een nieuw onderzoek moet onderworpen worden.)

(De exploitant houdt het eventuele attest van goedkeuring van de houder en het verslag van onderzoek ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde technische ambtenaar.)

              22.2.(De opslagplaatsen bedoeld in artikel 1.2 moeten bovendien beantwoorden aan de voorschriften van de artikelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3, 3.2.5, 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.4, 3.3.5, 3.3.7, 3.3.8, 13, 15.4, 15.6, 16, 17.5 en 19.)

Art. 23. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Afwijkingen.

De Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Vice-Eerste Minister en Minister van Economische Zaken kunnen, ieder wat hem betreft, in buitengewone omstandigheden afwijkingen van de bepalingen van dit reglement toestaan. Deze afwijkingen worden toegestaan bij een gemotiveerd besluit, na verslag van de bevoegde dienst of ambtenaar die onder het gezag van de belanghebbende Minister staat en mits alle nodig geachte bijzondere voorwaarden nageleefd worden.

Art. 24. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Inwerkingtreding.

Dit besluit treedt in werking de tiende dag na die van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 22.2. dat een jaar later in voege treedt.

Art. 25. (Zie NOTA 1 onder TITEL) Uitvoeringsbepaling.

Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economische Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Aanhef

Gelet op de wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en stoomketels;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen;

.....

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economische Zaken,

.....

Wijziging(en)

GEWIJZIGD DOOR

BESLUIT WAALSE GEWEST VAN 07-07-2005 GEPUBL. OP 28-07-2005(GEWIJZIGD ART. : OPHEFFING)

KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-06-1999 GEPUBL. OP 08-10-1999(GEWIJZIGDE ART. : 4;5;6;7;8;9;10;11;12;13;17)

KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-06-1997 GEPUBL. OP 19-09-1997(GEWIJZIGD ART. : 20)BESLUIT VLAAMSE EXECUTIEVE VAN 07-01-1992 GEPUBL. OP 14-12-1992

Gewijzigd bij:

K.B. 1-10-1969 (B.S. 7-11-1969)

K.B. 21-8-1970 (B.S. 16-10-1970)

K.B. 13-9-1976 (B.S. 24-9-1976).